Elias Anne Borger (Joure 26.II.1784 - Leiden 12.X.1820) was van arme afkomst. Hij werd financieel geholpen om te kunnen studeren. In 1807 promoveerde hij te Leiden in de theologie. Daarna werd hij lector, in 1811 hoogleraar exegese, en in 1817 hoogleraar geschiedenis en klassieke letteren.
Hij was een zeer begaafd Latijns en Nederlands redenaar; hij werd als dichter vooral bekend door zijn tragisch-autobiografische ode Aan den Rhijn in de lente van het jaar 1820, geschreven na de dood van zijn tweede echtgenote en hun pasgeboren kind, waarvan vertalingen in het Frans, Duits, Engels, Fries en Latijn zijn verschenen. Zijn Dichterlijke nalatenschap werd in 1836 gedrukt. Hieronder volgt de tekst van zijn beroemde ode.
Aan
den Rijn,
in
de lente van het jaar 1820.
Door
E.A. Borger.
Zoo
rust dan eindelijk ’t ruwe Noorden
Van
hageljacht en stormgeloei,
En
rolt de Rijn weer langs zijn boorden,
Ontslagen
van den winterboei.
Zijn
watren drenken de oude zoomen,
En
’t landvolk, spelende aan zijn vloed,
Brengt
Vader Rijn den lentegroet,
Als
grootvorst van Europa’s stroomen,
Die,
van der Alpen top gedaald,
De
stranden kust of scheurt de dijken,
De
wereld splitst in koninkrijken,
En
’t vorstlijk rechtsgebied bepaalt.
Ook
ik heb onbewolkte dagen
Aan
dezen oever doorgebracht,
En
warm heeft mij het hart geslagen
Bij
’t levenslot, mij toegedacht.
Een
morgen gronds, een kleine woning,
Verheerlijkt
door de liefde en trouw,
Was
mij en mijner brave Vrouw
De
lusthof van den rijksten koning,
Als
wij, in ’t kunsteloos prieel,
Of
onder ’t ruim der starrendaken,
Van
God en ’t eeuwig leven spraken,
En
dankten voor ’t bescheiden deel.
En
nu ‑ ik kan mijn haren tellen,
Maar
wie telt mijner tranen tal ?
Eer
keert de Rijn weer tot zijn wellen
Eer
ik den slag vergeten zal,
Dien
slag, die mij ten tweeden male
De
kroon deed vallen van het hoofd. ‑
’k
Heb steeds, mijn God ! aan U geloofd,
En
zal, zoo lang ik adem hale,
Mij
sterken in Uw vadertrouw,
Die
nimmer plaagt uit lust tot plagen ; ‑
Maar
toch, het valt mij zwaar te dragen
Dien
zwaren last van dubblen rouw !
Te
Katwijk, waar de zoute golven,
O
Rijn ! u wachten in haar schoot,
Daar
ligt, in ’t schrale zand bedolven,
Mijn
kostbaar offer aan den dood.
’k
Wil tranen met uw watren mengen ;
Belast
u met dien zilten vloed :
De
droeve zanger heeft geen moed,
Die
tranen op het graf te plengen
Der
Gade, nooit genoeg beschreid.
Gij,
oude Rijn ! wees gij mijn bode,
En
voer ter rustplaats mijner Doode
De
tolken mijner menschlijkheid.
Groet
ook het kind, welks lijkje de aarde
Reeds
had ontvangen in haar schoot,
Eer
zij, die mij dat lijkje baarde,
Voor
’t levenslicht hare oogen sloot,
Ik
heb mijn dochtertje opgegraven,
Toen
’t pleit der moeder was beslist,
En
lei het in de groote kist
En
aan de borst, die ’t wicht moest laven,
Dat
nimmer laafnis noodig had ;
Ik
dacht : één huis behoort aan beiden,
Wat
God vereent, zal ik niet scheiden,
En
’k sloot in de urn den dubblen schat.
Noem’
hij deze aarde een hof van Eden,
Die
altijd mocht op rozen gaan :
Ik
wensch geen stap terug te treden
Op
de afgelegde levensbaan.
Ik
reken iedren dag gewonnen,
Met
moeite en tranen doorgesloofd ;
Goddank,
mij draaiden boven ’t hoofd
Reeds
meer dan vijf en dertig zonnen !
De
tijd rolt, als dees bergstroom, voort.
Druk
zacht mijn dooden, lijkgesteente !
En
dek ook eerlang mijn gebeente
Bij
’t overschot, dat mij behoort.