Willem
Bilderdijk werd geboren op 7 september 1756 aan de Westermarkt te Amsterdam. In
een van zijn autobiogrfische herinneringen schetste hij een onwaarschijnlijk verhaal van zijn vroegrijpe
jeugd. Zijn bestaan als wonderkind kende ook een keerzijde. Al vroeg werd hij
gekweld door 'gonzingen in het hoofd van vermoeidheid van denken ontstaan' die
hem het leven ondraaglijk maakten, en hij verlangde reeds op deze leeftijd
verlost te worden van de aardse kwellingen. Deze melancholie en dit
doodsverlangen zouden hem zijn verdere leven blijven achtervolgen; hij zou er
tot vervelens toe van getuigen. In zijn zesde levensjaar werd hij bovendien
getroffen door een ongeluk aan de linkervoet, waardoor ontsteking van het
beenvlies optrad. De gebrekkige behandeling die volgde had geen succes, zodat
hij werd gedwongen binnen te blijven, afgesloten van de buitenwereld en zijn
leeftijdgenoten. Ruim tien jaar bracht hij grotendeels binnenskamers door, waar
hij zich geheel aan de studie en het schrijven wijdde. Hier legde hij de basis
voor zijn later beroemde, fabelachtige kennis.
Willem Bilderdijk leefde van 1756 tot 1831.
Hij was dichter en geleerde. In 1780 ging hij in Leiden rechten studeren en
vestigde zich daarna als advocaat in Den Haag. Hij was vurig oranjegezind. In
1795 moest hij uitwijken naar Londen i.v.m. de weigering van de eed van trouw
aan het bewind. In 1806 kwam hij terug naar Nederland en gaf Nederlandse lessen
als leermeester van Koning Lodewijk Napoleon.
Uiteindelijk keerde hij toch weer terug naar Leiden waar hij samen met da
Costa, van Lennep en Groen van Prinsterer de grondslagen legde voor de Anti
Revolutionaire Partij. Vanaf 1827 woonde hij in Haarlem.
Hij werd de eerste romanticus. Zijn woordenrijkdom is verbijsterend maar
vaak te bombastisch en niet plausibel als poëzievorm.